Geld op de plank?

Werken in het onderwijs gebeurt veelal vanuit passie voor het onderwijs en dan vooral voor de ontwikkeling van de leerlingen. Geld wordt daarbij door velen als ondergeschikt ervaren. Maar tegelijkertijd kunnen we er in ons onderwijs ook niet zonder.

 

De financiering van ons onderwijs verloopt eigenlijk vrij overzichtelijk. We krijgen structurele middelen vanuit het ministerie en tijdelijke middelen in de vorm van subsidies.

Op basis van leerlingaantal

Het overgrote deel van de middelen die we vanuit het ministerie krijgen om onderwijs te verzorgen verloopt via het aantal leerlingen. Ieder jaar krijgen we per leerling een vastgesteld bedrag. In het basisonderwijs is dat ongeveer 5200,- euro per leerling, in het voortgezet onderwijs ongeveer 7100,- per leerling. Daar moeten we alles wat nodig is om onze leerlingen onderwijs te verzorgen van betalen. Daarnaast zijn er nog subsidiegelden maar dat is een relatief klein deel en dat deel is in de afgelopen jaren steeds kleiner geworden.

Structurele middelen

Van de middelen die ons door het ministerie beschikbaar worden gesteld, moeten we zoals gezegd, alles betalen; de leraren, de onderwijsmiddelen, het reguliere onderhoud van de gebouwen, de ondersteuning en het management. Dit zijn zogenaamde structurele middelen. Daarom waren we in het basisonderwijs ook zo blij met de Slob-gelden, want die konden structureel direct ingezet worden in de basisscholen. Hoe dat gebeurde verschilde per school en vond plaats na overleg met de Medezeggenschapsraad (MR) van de school. Op 6 maart 2019 heeft minister Slob aangeven een deel van de Slob-gelden voor de toekomst naar voren te halen waardoor de basisscholen ook versneld kunnen beschikken over deze extra gelden.

Tijdelijke middelen

Naast de structurele middelen zijn er ook tijdelijke middelen in de vorm van subsidies. Het is altijd opletten dat tijdelijke middelen niet ingezet worden voor structurele zaken, want dan moet je daarna bezuinigen.

Verdeelsleutel

De verdeling van de structurele middelen over de diverse scholen gaat volgens een vaste verdeelsleutel en is gebaseerd op het leerlingaantal. Daarnaast worden er middelen vrijgemaakt voor de ondersteuning. Je kan daarbij denken aan onderwijs en kwaliteit, huisvesting, ICT, facilitair en HRM. Het is nu eenmaal veel efficiënter en goedkoper om dat organisatie-breed te organiseren dan als 36 afzonderlijke scholen. Daardoor kunnen we meer geld aan het onderwijs besteden.

Landelijke benchmark

In de afgelopen twee jaar heeft Openbaar Onderwijs Groningen meegedaan aan een landelijke benchmark en daaruit blijkt dat onze ondersteuning in vergelijking met soortgelijke organisaties relatief efficiënt en kosteneffectief ingericht is. De resultaten van de benchmark zijn gedeeld met het management en een vertegenwoordiging van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapraden (GMR’en).

Geld op de plank?

Maar hoe zit het dan met die krantenberichten dat Openbaar Onderwijs Groningen een enorm bedrag “op de plank heeft liggen”? Was het maar zo. Ons eigen vermogen bedraagt momenteel 30 miljoen euro. Dit eigen vermogen is opgebouwd uit de bufferfunctie (10 mln.) en een financieringsfunctie (20 mln.).

Bufferfunctie

De bufferfunctie is bedoeld voor het opvangen van onverwachte risico’s zoals onverwachte daling van het leerlingaantal bij een school. Op dit moment hebben we een buffer van 7,7 % van onze inkomsten. Dit is niet hoog maar past binnen de kaders van de Onderwijsinspectie en de Commissie Vermogensbeheer. De Onderwijsinspectie gaat uit van een bufferfunctie tussen de 5 – 10%, afhankelijk van het risicoprofiel van de organisatie. Dit is tevens het advies van de Commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstellingen. Een aantal jaren geleden, na de verzelfstandiging, zag onze bufferfunctie er zorgelijk uit. Het eigen vermogen zat toen ruim onder de 5%.

Financieringsfunctie

De financieringsfunctie van ons eigen vermogen is bestemd voor het vervangen van zaken die van belang zijn om het beste onderwijs aan onze leerlingen te kunnen bieden. Het gaat hier om onder andere leermiddelen (bijvoorbeeld leerboeken of digitale methodes), meubilair van scholen en ICT-hardware.

Daarnaast bestaat het bedrag uit investeringen die wij verplicht zijn te doen om de schoolgebouwen op het noodzakelijke (bouwkundige) niveau te houden, zodat we onze leerlingen de beste onderwijsfaciliteiten kunnen bieden. Sinds 2015 zijn wij zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van onze schoolgebouwen. Over het vereiste niveau van onderhoud hebben we afspraken gemaakt met de gemeente Groningen. Het onderhoud vindt plaats op basis van onze vastgestelde Meerjarenonderhoudsplanning voor onze 60 schoolgebouwen.

Ieder jaar vindt er in de verschillende gebouwen onderhoud plaats. Dat kan variëren van klein onderhoud bij de ene school tot groter onderhoud bij de andere school. Maar omdat je hier te maken heb met onder andere vaste afschrijvingsperiodes is het geld van de financieringsfunctie niet vrij besteedbaar.

Schoolbegroting

Iedere school maakt op basis van de middelen waar ze recht op hebben een begroting. In de ideale situatie komt een school op het einde van het jaar precies op nul uit. Dan is exact al het geld uitgegeven waar de school recht op had. In de afgelopen jaren gaf de overheid pas laat in het jaar aan welke bedragen over dat jaar van toepassing zijn. Ook sommige subsidies worden soms pas heel laat toegekend. Het is dan voor de scholen moeilijk om deze middelen nog tijdig te kunnen inzetten. Allerlei ICT-middelen kopen heeft bijvoorbeeld niet zoveel zin, omdat die standaard over een aantal jaren worden afgeschreven. Extra personeel na de zomer inzetten is alleen mogelijk als de extra middelen ook na januari in het volgende jaar beschikbaar zijn. Wel hebben we dit jaar een managementinformatiesysteem geïmplementeerd waardoor de scholen sneller en beter zicht hebben op de inzet van extra middelen.

Kortom, het is voor scholen niet altijd eenvoudig om de middelen tijdig in te zetten. Maar dat er geld "op de plank ligt" is dus geenszins het geval.