De Staat van het onderwijs

Ieder jaar krijgen we een cadeautje van de Inspectie: De Staat van het Onderwijs. Een dik boekwerk met een schat aan informatie over de (kwaliteits-)ontwikkeling in het onderwijs. 

 

Het boekwerk is te omvangrijk om zelfs maar te kunnen samenvatten. De geïnteresseerde onderwijsvolger verwijs ik daarom echt naar de site van de inspectie. Voor ons is het zeer interessante kost, omdat we vanuit Openbaar Onderwijs Groningen zelf bezig zijn met het actualiseren van ons strategisch beleidsplan. Een aantal punten die vanuit de Inspectie worden benoemd, signaleren wij ook en nemen we mee in onze plannen voor de komende vier jaar.

Basiskwaliteit voldoende, maar ruimte voor verbetering

Volgens de Inspectie is de kwaliteit van het onderwijs op de meeste scholen voldoende. Merendeel van deze scholen vallen onder het basistoezicht. Dat betekent dat de basiskwaliteit op orde is. Het aandeel onvoldoende scholen is afgenomen. Het aandeel zeer zwakke scholen is echter, net als vorig jaar, gestegen.

Besturen hebben volgens de inspectie niet allemaal voldoende grip op wat er op hun scholen gebeurt. Ongeveer een op de vijf besturen die in 2017/2018 zijn onderzocht heeft onvoldoende zicht op de kwaliteit van het onderwijs en stuurt te weinig op verbetering. Ook op schoolniveau kan de kwaliteitszorg beter. Toch voldoet 90 procent van de onderzochte afdelingen ten minste aan basiskwaliteit. De Inspectie geeft aan dat de havo als schoolsoort opvalt door achterblijvende resultaten.        

Excellente scholen; de praktijk
In 2018 kwamen er twaalf nieuwe excellente afdelingen (onderwijssoort) bij. Er zijn nu 110 excellente afdelingen in het voortgezet onderwijs. Waarbij de praktijkscholen het opvallend goed doen. Liefst 13 praktijkscholen zijn excellent. In 2017/2018 kregen 49 afdelingen de waardering goed.

Veranderingen in het schoollandschap

De Inspectie constateert veranderingen in het schoollandschap. Behalve in de grote steden krijgen vrijwel alle scholen te maken met krimp. De krimp in het basisonderwijs vlakt af. In de meer stedelijke gebieden daalt het aantal scholen minder snel dan voorheen. Daarbuiten zet de daling wel door.

In het  VO neemt het percentage vmbo-bb leerlingen al jaren sterk af. Het aandeel havo en vwo neemt geleidelijk toe. Het aandeel vmbo-breed in de grote steden groeit ten koste van scholen met alleen de beroepsgerichte leerwegen. De ontwikkeling naar minder brede scholengemeenschappen is onlangs gestagneerd. Een breed palet aan profielscholen maakt inmiddels onlosmakelijk deel uit van het scholenveld. Ook neemt het aantal maatwerkdiploma’s toe.

Grote verschillen in prestaties leerlingen

De prestaties van leerlingen laten positieve en minder positieve ontwikkelingen zien. Een gunstige bevinding is dat er in 2018 voor het eerst meer opstroom dan afstroom plaatsvindt in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. ‘Stapelen’ van diploma’s neemt licht toe. De daling van het slagingspercentage, dat zichtbaar werd in 2017, zette in 2018 niet door. De lange termijn laat een vrij stabiel beeld zien. Op het vwo en vooral op het vmbo-bb behalen de leerlingen iets hogere cijfers dan op de andere schoolsoorten. Zittenblijven blijft hardnekkig vaak voorkomen op scholen. Ook constateert de Inspectie verschillen in prestaties tussen schoolsoorten. Vooral de prestaties van havoleerlingen vallen in negatieve zin op.

Stijging in opleidingsniveau
De afgelopen decennia steeg het opleidingsniveau van jongeren in Nederland. Steeds meer jongeren halen een diploma op hbo- of wo-niveau. De laatste tien jaar is de diploma-verdeling in het vo redelijk stabiel, alleen het aandeel gediplomeerden in de basisberoepsgerichte leerweg (bb) van het vmbo daalt. Aan het einde van de basisschool was in eerdere jaren nog een opwaartse trend in de adviezen zichtbaar, maar in 2018 niet meer.

Succes voor vmbo- en wo-leerlingen
Gemiddeld genomen komen ongeveer vier op de vijf studenten en leerlingen op de plek die het beste aansluit op het niveau van het vo-diploma. Er zijn echter wel verschillen. Relatief succesvol zijn leerlingen die enkele jaren geleden een vwo-advies kregen. Driekwart van deze groep zit op de universiteit. Ook leerlingen die enkele jaren geleden een vmbo-advies kregen, zijn succesvol. Ook zij zitten grotendeels op het mbo, meestal op niveau 3 en 4. Het percentage dat mbo op niveau 3 en 4 doet, nam de afgelopen drie jaar verder toe. Het percentage dat mbo op niveau 1 of 2 doet daalde van 10 naar 7 procent.

Verder zit 11 procent van de leerlingen met een advies voor de gemengde/theoretische leerweg van het vmbo op de havo.

Havisten; divers gezelschap
Voor leerlingen met een havoadvies zijn de vervolgpaden veel minder eenduidig dan voor vmbo’ers en vwo’ers.  5,5 jaar na het schooladvies van de basisschool doorliep een kwart de havo en schreef zich in voor een hbo-vervolgopleiding. 25% liep vertraging op en bevindt zich nog in de bovenbouw van de havo. Ruim een kwart (27 procent) neemt deel aan een mbo niveau 3- of niveau 4-opleiding terwijl 14 procent opstroomde naar vwo-bovenbouw. Het geeft aan dat de leerlingen met een havoadvies een zeer divers gezelschap is met verschillende capaciteiten en ambities.

Leerlingen niet voldoende uitgedaagd
Verder blijkt uit recent onderzoek van de inspectie dat leerlingen in Nederland maar matig gemotiveerd zijn om te leren op school. Ze voelen zich niet vaak uitgedaagd door de leraar of de lesstof. Ze worden vooral gedreven door het diploma dat ze kunnen behalen en de hoop op een goede toekomst. Hoge verwachtingen en uitdagend onderwijs blijken samen te hangen met betere examencijfers.

Kansengelijkheid

De ongelijkheid waar de inspectie twee jaar geleden over rapporteerde is niet verder opgelopen. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs stromen voor het eerst meer leerlingen op dan er afstromen. Het gaat hierbij vooral om leerlingen met lager opgeleide ouders. Dat is goed nieuws. De ongelijkheid loopt niet verder op, omdat leerlingen met lager opgeleide ouders steeds beter in staat zijn zich te handhaven (of op te stromen).

Structureel verschil tussen leerlingen met hoger en lagere opgeleide ouders
Net als vorig jaar zien we dat schooladviezen van kinderen met een gelijke toets score structureel verschillen tussen leerlingen met hoger en lager opgeleide ouders. Dit leidt tot ongelijke kansen voor groepen leerlingen. Tot en met 2014 namen de verschillen tussen deze groepen leerlingen toe, daarna lijkt sprake van stabilisering. De hoogte van de adviezen in 2018 is vergelijkbaar 2017, na een stijging in eerdere jaren. Het aandeel meervoudige adviezen (bv vmbo-tl/havo of havo/vwo) stijgt licht. Dit kan kansen bevorderend werken voor leerlingen (Inspectie van het Onderwijs, 2017). Bij ongeveer een derde van de leerlingen  met een meervoudig advies was een heroverweging van het advies aan de orde. Dit leidde bij een kwart van hen tot bijstelling naar boven.

Daling zittenblijvers 1e en 2e generatieleerlingen
De afgelopen jaren was er sprake van minder zittenblijvers op de basisschool in de groepen 3 t/m 8. Leerlingen die wel vertraging oplopen doen dit vooral in de onderbouw op het voortgezet onderwijs. Zittenblijven daalt meer bij eerste en tweede generatieleerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond dan bij andere leerlingen. Vooral tweede generatie jongens met een niet-westerse migratieachtergrond lopen minder vaak vertraging op. Ook onder tweede generatie meisjes daalt het zittenblijven, maar niet zo sterk als bij jongens. Scholen lijken er volgens de Inspectie dus beter in te slagen om bij leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond een doorgaande ontwikkeling te realiseren dan voorheen. Ook positief is de stijging van het aandeel leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond op de havo en het vwo.

Tenslotte

Kortom een cadeau van de Inspectie dat voldoende stof geeft om over na te denken. De ingezette lijn van ons strategisch plan met betrekking tot kansengelijkheid en het stimuleren van actief leren lijkt goed te anticiperen op de door de Inspectie geschetste ontwikkelingen. Binnenkort daarover meer.